Nieuwsbrief juni 2011


"Pensioensignalen"

Hierbij willen wij u aan de hand van het "pijlersysteem" informeren over een aantal ontwikkelingen op het gebied van de opbouw van de oudedagsvoorziening. Het Nederlandse systeem van pensioenopbouw van de oudedagsvoorziening is onder te verdelen in een aantal pijlers:

1e pijler :
Bij de overheid wordt het eerste deel van de oudedagsvoorziening gespaard via de AOW

2e pijler :
Werknemers kunnen via hun werkgever pensioen opbouwen bij een pensioenfonds, verzekeraar of in een eigen B.V. in het geval er sprake is van een directeur groot aandeelhouder.

3e pijler :
Voor iedereen die onvoldoende pensioen opbouwt in de eerste en tweede pijler bestaat er de mogelijkheid via een lijfrentepolis of lijfrenterekening bij een bank of verzekeringsmaatschappij de oudedagsvoorziening fiscaal te optimaliseren.

4e pijler :
Indien er na de het benutten van de voorgenoemde pijlers op pensioendatum nog steeds onvoldoende inkomen is zal het tekort aangevuld moeten worden met onttrekkingen aan het op te bouwen vermogen.

De 1e Pijler

Ontwikkelingen in het overheidspensioen
Het aantal ouderen neemt de komende jaren sterk toe, terwijl er steeds minder jongeren bijkomen. Daardoor neemt de beroepsbevolking sinds 2010 af. Dit betekent dat er minder mensen beschikbaar zijn om betaald werk te doen. Bovendien moet het geld voor de AOW-uitkeringen door minder mensen worden opgebracht. De kosten van de AOW lopen op: van circa € 30 miljard nu tot € 50 miljard in 2050. Dat is bijna twee keer zo hoog als nu. Ondertussen vermindert het aantal werkenden die deze kosten moeten betalen. Nu staan er tegenover elke AOW-er 4 werkenden, in 2040 maar 2. Langer doorwerken is dus noodzakelijk om de AOW betaalbaar te houden en het tekort aan arbeidskrachten op te vullen. Alleen zo kan het draagvlak voor de AOW in de toekomst worden veiliggesteld en wordt voorkomen dat er grote personeelstekorten ontstaan.

Eén van de maatregelen die is genomen is het verplaatsen van de dag waarop een persoon recht krijgt op de AOW-uitkering van de 1e dag van de maand waarin de pensioenleeftijd wordt bereikt naar de dag waarop feitelijk de pensioenleeftijd wordt bereikt. De tweede maatregel betreft het gefaseerd verhogen van de AOW-leeftijd naar 66 jaar in 2020 en op naar 67 jaar in 2025.

Iedereen die op of na 1 januari 1955 geboren is krijgt pas vanaf 66-jarige leeftijd recht op een AOW-uitkering. Wie voor 1 januari 1955 geboren is behoudt het recht op een AOW-uitkering op 65-jarige leeftijd. De opbouwperiode voor de AOW-uitkering blijft 50 jaar, waardoor een volledige AOW-uitkering wordt opgebouwd in de periode 16 tot 66 jaar. Heeft u buiten Nederland gewoond of gewerkt, dan bent u mogelijk niet verzekerd geweest en kan uw AOW-pensioen lager uitvallen. Een kleine groep mensen woont wel in Nederland, maar is toch niet verzekerd voor de AOW.

Vanaf 2013 gaat de uitkering met 0,6% per jaar stijgen naast de inflatie. De uitkering zal in 2020 gekoppeld worden aan de levensverwachting welke iedere 5 jaar wordt bijgesteld. Indien u wilt stoppen met werken voor uw 66e jaar, ontvangt u een lagere AOW-uitkering en pensioen. De korting op de uitkering is dan 6,5%. Voor lagere inkomens wordt een extra ouderenkorting ingevoerd van € 300 vanaf 2020.

Indien u recht heeft op een AOW-uitkering en uw partner de 65-jarige leeftijd nog niet heeft bereikt, heeft u recht op een toeslag op de AOW-uitkering. U krijgt een extra bedrag bovenop uw AOW-uitkering. De hoogte van de toeslag hangt af van het aantal jaren dat uw partner verzekerd is geweest en van zijn of haar inkomen. Deze toeslag wordt in 2015 afgeschaft. Wordt u 65 voor 1 januari 2015 dan ontvangt u een toeslag tot uw partner 65 wordt, ook al is dat na 1 januari 2015. Wordt u 65 op of na 1 januari 2015 dan krijgt u geen toeslag meer voor uw jongere partner.

Gezien de toenemende vergrijzing, de langere levensverwachting en daardoor toenemende kosten van de AOW heeft de regering een aantal nieuwe maatregelen getroffen om ook in de toekomst de AOW beschikbaar te blijven houden voor de gerechtigden.

De 2e Pijler

Het nieuwe pensioensysteem zonder buffers
Doelstelling van het nieuwe pensioensysteem is om de pensioenen voor zowel oudere als jongere werknemers toekomstbestendig te maken. Om dit te bereiken zullen werknemers langer moeten gaan doorwerken om hetzelfde pensioeninkomen te kunnen bereiken als in de huidige situatie. Daarnaast zal er in de opbouwfase minder zekerheid geboden doordat toekomstige uitkeringen afhankelijk worden van de beleggingsresultaten. In het nieuwe pensioensysteem zullen toekomstige pensioenuitkeringen ook niet meer gegarandeerd zijn. Hierdoor hoeft er bij de opbouw van de pensioenverplichting geen rekening meer gehouden te worden met de lage rekenrente maar wordt het werkelijke rendement als maatstaf gehanteerd. Verplicht gestelde buffers zijn dan niet meer nodig want de pensioenopbouw en de pensioenuitkering wordt dan afhankelijk van het beleggingsresultaat.

De PPI (Premie Pensioen Instelling) is bij uitstek geschikt om het nieuwe pensioensysteem vorm te geven. De PPI is geen pensioenfonds en is ook geen verzekeraar. Er worden daarom geen solvabiliteitseisen gesteld en er hoeft geen voorziening gevormd te worden. Hierdoor zijn er ook geen kosten voor vermogensbeslag en rentebeslag. Pensioenopbouw via een PPI kan dus tegen lagere kosten, met een hoger bedrag en met meer risico plaats vinden. De kans op een hoger rendement op het pensioenkapitaal is dus groter. De eventueel benodigde dekkingen voor het nabestaandenpensioen, het wezenpensioen en arbeidsongeschiktheidspensioen kunnen op risicobasis middels "Benchmark" bij de verzekeringsmaatschappijen ondergebracht worden.

Een PPI is geen pensioenfonds. Een pensioenfonds is geen pensioenverzekeraar. Maar wat zijn nu de meest in het oog lopende verschillen? Klik hier voor een handig tabel.

Voor de uitvoering van de PPI zijn de vermogensbeheerders de aangewezen instellingen. Zij zijn dagelijks bezig met inkomens en vermogensvorming voor klanten. Afhankelijk van objectieve (bijvoorbeeld pensioenopbouw) en subjectieve doelstellingen (bijvoorbeeld aankoop tweede woning) stellen zij een klantprofiel, risicoprofiel en beleggingsprofiel samen. Ingeval van pensioenopbouw zal er op individuele basis een efficiënte portefeuille samengesteld worden. Met deze portefeuille wordt tegen een afgewogen risico met maximalisatie van het rendement het benodigde pensioenkapitaal bij elkaar verkregen.

In het onlangs gesloten pensioenakkoord zijn maatregelen genomen die in tegenstelling tot de maatregelen in de AOW vanaf 2013 in zullen gaan. Zo worden de maximale opbouwpercentages voor pensioenregelingen verlaagd van 2% naar 1,75% voor eindloonregelingen en van 2,25% naar 2% voor middelloonregelingen. Dat betekent dat er meer dienstjaren nodig zijn om een pensioen van 70% van het laatstverdiende loon te bereiken. Het aantal opbouwjaren wordt dan ook vanaf 2013 verhoogd van 35 naar 40 jaren. De kaders omtrent de beschikbare premieregeling worden ook aangepast, in hoeverre bijvoorbeeld staffels worden aangepast is nog niet geheel duidelijk.

Het uniform pensioenoverzicht van de DGA met pensioen in eigen beheer
Werknemers zijn er inmiddels al aan gewend. Jaarlijks ontvangen zij van hun pensioen-uitvoerder een uniform pensioen overzicht (UPO). Doelstelling van deze UPO’s is om de werknemer inzage te geven in de feitelijk opgebouwde pensioenrechten, de te bereiken pensioenrechten en in de actuele rechten van de nabestaanden.
De directeur groot aandeelhouder (DGA) verkrijgt deze info via zijn accountant of fiscalist. Vaak als onderdeel van de bespreking van de jaarrekening. Het komt regelmatig voor dat er bij de DGA onvoldoende duidelijkheid bestaat over de omvang van de opgebouwde rechten.

De accountant en fiscalist hechten er groot belang aan dat er bij hun klanten 100% duidelijkheid bestaat over de in eigen beheer toegezegde en opgebouwde pensioenrechten. Reden waarom ook de DGA met ingang van het jaar 2011 een UPO zal gaan ontvangen. Deze UPO zal echter meer informatie moeten bevatten dan de werknemers UPO. In tegenstelling tot een zuiver werknemerspensioen is een DGA pensioen in het geheel niet gegarandeerd. De in eigen beheer toegezegde pensioenrechten zijn vaak afhankelijk van de waarde van de onderneming. Deze UPO zal dan ook vergezeld moeten gaan van een inschatting van de realiseerbaarheid van de in eigen beheer toegezegde pensioenrechten.
Het is de bedoeling dat met behulp van de UPO- dga ook de DGA met een eigen beheer pensioentoezegging optimaal geïnformeerd wordt. Alleen de DGA die zich 100% bewust is van de actuele stand van zaken kan samen met zijn accountant of fiscalist de juiste keuzes maken voor de toekomst.
Van werknemer naar ZZP-er en de gevolgen voor zijn oudedagsvoorziening
De zelfstandige zonder personeel (ZZP-er) kunnen vanaf het jaar 2012 tot 10 jaar na uitdienstreding bij de ex- werkgever nog pensioen opbouwen bij de pensioenuitvoerder van de ex- werkgever. Voorheen kon dat fiscaal gefaciliteerd maar voor maximaal drie jaar. Hoewel de nieuwe regeling ook geldt voor jonge ZZP- ers is de regeling vooral aantrekkelijk en een uitkomst voor ZZP- ers die 55 jaar en ouder zijn. Zij hebben nu meer mogelijkheden tot hun 65- jarige leeftijd een goed pensioen op te bouwen. Er zijn aan deze nieuwe regeling wel een aantal voorwaarden verbonden: 1. De mogelijkheid tot voortzetting van maximaal 10 jaar moet wel in de pensioenregeling van de ex- werkgever opgenomen zijn. 2. Als ex- werknemer dien je minimaal 3 jaar aan de pensioenregeling deelgenomen te hebben. 3. De voortzetting moet daarnaast plaatsvinden binnen 9 maanden na uitdiensttreding bij de ex- werkgever. 4. De hoogte van de pensioenbijdrage bedraagt het werknemersgedeelte als het werkgeversgedeelte.

De 3e Pijler

De ZZP-er en de verdere opbouw van zijn oudedagsvoorziening
Door gebruik te maken van de fiscale faciliteit (fiscale) oudedagsreserve kan de ZZP –er jaarlijks ten laste van zijn winst een deel van zijn winst wegzetten voorlater. De jaarlijkse dotatie aan de oudedagsreserve is 12% van de winst en is gemaximeerd op € 11.882,-(2011). Om voor deze faciliteit in aanmerking te komen moet de ZZP-er (ondernemer) minimaal 1225 uur voor zijn onderneming werken en jonger zijn dan 65 jaar. De jaarlijkse dotatie aan de oudedagsreserve is dus een liquiditeitsvoordeel voor de onderneming maar geen daadwerkelijke opbouw van een oudedagsvoorziening. Voor de opbouw ervan kan de ZZP- ervoor kiezen om een lijfrente-verzekering of lijfrentespaarrekening/-beleggingsrekening aan te schaffen. De hoogte van de jaarlijkse premie kan afgestemd worden met de jaarlijkse dotatie aan de oudedagsreserve.

Als gevolg van de aanpassingen (versobering) van de pensioenopbouw in de eerste en tweede pijler wordt ook de opbouw van de oudedagsvoorziening in de derde pijler aangepast. Met ingang van 1 januari 2013 wordt de jaarruimte voor de lijfrentepremieaftrek beperkt van 17% naar 14,5%^van de premiegrondslag. De jaarlijkse dotatie aan de oudedagsreserve ten laste van de winst wordt per 1 januari 2013 beperkt van 12% naar 10% van de winst. Deze aanpassing moet voorkomen dat de versobering van de pensioenopbouw in de eerste en tweede pijler in de derde pijler gecompenseerd gaat worden.

De 4e Pijler

Inkomensvorming vanuit Box 3 vermogen
Indien er na het benutten van de 1e drie pijlers nog steeds onvoldoende inkomen is zal het tekort aangevuld moeten worden met onttrekkingen uit het vermogen. Dit vermogen dient u tot aan de pensioenleeftijd op te bouwen. Daarvoor zijn meerdere mogelijkheden te bedenken, belangrijk in deze is dat u rekening houdt met uw risicoprofiel en uw beleggingshorizon. Onder beleggingshorizon wordt de periode verstaan vanaf heden tot aan de door u gewenst datum (bijvoorbeeld pensioendatum). Afhankelijk van uw profiel en horizon kunt u bijvoorbeeld gaan beleggen op de effectenbeurs (o.a. aandelen, opties, obligaties), in beleggingsfondsen, in onroerend goed of gaan sparen. Om het risico laag te houden doet u er verstandig aan om voldoende spreiding in uw beleggingen aan te brengen, zowel tussen de diverse soorten beleggingen als bijvoorbeeld tussen de gebieden waarin u belegd.
Beleggen in maatschappelijke beleggingen (waaronder groene beleggingen) leveren u een fiscaal voordeel op. In 2011 is een bedrag van € 55.145 per belastingplichtige geheel vrijgesteld in box 3, daarnaast heeft u recht op een extra heffingskorting van 1% in het jaar 2011. Deze heffingskorting zal stapsgewijs worden afgebouwd tot nihil in 2014, de vrijstelling daarentegen blijft gehandhaafd.

Houdt u er rekening mee dat de waarde van bezittingen in box 3 boven de vrijstelling (na aftrek van de schulden) worden belast tegen per saldo 1,2% belastingheffing. Vanaf 1 januari 2011 is de peildatum veranderd naar 1 januari van het betreffende belastingjaar, dit was voor heen het gemiddelde van 1 januari en 31 december.