Direct aanvragen


Nieuwsartikelen - Sonell

Aan transitievergoeding gelijkwaardige voorziening

Bij ontslag op initiatief van de werkgever moet deze aan de werknemer een transitievergoeding betalen. Dat hoeft niet wanneer in de cao een gelijkwaardige voorziening is opgenomen.

In een procedure voor Hof Amsterdam speelde de vraag of de in de cao opgenomen premievrije opbouw van pensioen na beëindiging van de arbeidsovereenkomst wegens arbeidsongeschiktheid een aan de transitievergoeding gelijkwaardige voorziening was. De arbeidsongeschikte werknemer ontving naast de voortgezette pensioenopbouw een aanvulling op de arbeidsongeschiktheidsuitkering.

De Hoge Raad heeft in een eerder arrest overwogen, dat bij de beoordeling op gelijkwaardigheid een vergelijking moet worden gemaakt tussen de op het tijdstip van beëindiging van de arbeidsovereenkomst gekapitaliseerde potentiële waarde van de voorziening waarop de werknemer volgens de cao recht heeft en de transitievergoeding waarop de werknemer volgens de wettelijke regeling recht zou hebben.

Het hof was van oordeel dat de cao-voorziening ten minste gelijkwaardig was aan de wettelijke transitievergoeding. De Hoge Raad heeft het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het hof zonder verdere motivering ongegrond verklaard.


Correctie aangifte leidt tot navordering bij partner

Een echtpaar diende op dezelfde dag de aangifte inkomstenbelasting 2016 in. In de aangifte van de man was de gezamenlijke persoonsgebonden aftrek verwerkt. De aanslag van de man werd conform de aangifte geregeld. Bij de behandeling van de aangifte van de echtgenote werden in het kader van een steekproef vragen gesteld over de uitgaven voor specifieke zorgkosten. Naar aanleiding van de ontvangen stukken heeft de inspecteur aangegeven het bedrag van de persoonsgebonden aftrek te verminderen met € 1.500. Die correctie vond plaats door het opleggen van een navorderingsaanslag aan de man, omdat de vrouw geen persoonsgebonden aftrek had toegepast.

De aangifte van de man is geautomatiseerd afgedaan, waardoor de onjuistheid in de persoonsgebonden aftrek onopgemerkt is gebleven. Bij het vaststellen van een aanslag mag de inspecteur in beginsel uitgaan van de juistheid van de gegevens die de belastingplichtige in zijn aangifte heeft vermeld. Tot een nader onderzoek is de inspecteur alleen gehouden wanneer hij aan de juistheid van in de aangifte opgenomen gegevens in redelijkheid had moeten twijfelen. In dit geval gaf de aangifte op zichzelf geen reden tot enige twijfel. Pas na het stellen van vragen aan de echtgenote kwam vast te staan dat het belastbaar inkomen van de man te laag is vastgesteld. Dat leverde een nieuw feit op dat navordering mogelijk maakte.

Het feit dat het echtpaar gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om inkomensbestanddelen onderling toe te rekenen, leidt er toe dat de door de man verlangde rechtszekerheid pas compleet is als de aanslagen van beide echtgenoten definitief zijn vastgesteld. Een nieuw inzicht in de feiten die ten grondslag liggen aan één van de aanslagen kan een wijziging van de beoordeling van de andere aangifte tot gevolg hebben. De wet verplicht de inspecteur er niet toe om de aanslag van de ene (fiscaal) partner afhankelijk te stellen van de afwikkeling van de aanslagregeling van de andere (fiscaal) partner.


Verdamping verrekenbare verliezen niet voorkomen

In een poging om verdamping van zijn verrekenbare verliezen per 2012 te voorkomen, droeg de verhuurder van een onderneming in 2011 een deel van zijn exploitatierecht over aan de bv van zijn echtgenote. De koopsom was iets hoger dan het bedrag van de verrekenbare verliezen. De bv bleef de koopsom wegens een gebrek aan middelen schuldig. Bij de vaststelling van de aanslag inkomstenbelasting 2011 hield de Belastingdienst geen rekening met de overdracht van het exploitatierecht.

De rechtbank deelde de opvatting van de Belastingdienst dat de verhuurder niet een deel van het exploitatierecht had overgedragen, maar slechts een deel van de inkomsten daaruit. Bepalend daarvoor vond de rechtbank dat de bv geen zelfstandig afdwingbaar recht jegens de huurder van de ondernemer had verkregen. De door de verhuurder met de bv te verrekenen kosten waren niet gespecificeerd en er was niets geregeld over de periode na afloop van de verhuurovereenkomst. De overeenkomst met de bv was naar het oordeel van de rechtbank geen overeenkomst van koop en verkoop van een deel van de onderneming. Verrekening van de koopsom met de bestaande verliezen was niet mogelijk.