Direct aanvragen


Nieuwsartikelen - Sonell

Premies Zorgverzekeringswet 2021

De premiepercentages en het maximumbijdrage-inkomen voor de Zorgverzekeringswet voor het jaar 2021 zijn bekendgemaakt. De premie die een werkgever verschuldigd is over het loon van zijn werknemers bedraagt 7%. Voor anderen, zoals zelfstandigen en dga’s, bedraagt de premie 5,75%. In beide gevallen betekent dat een stijging van 0,3 procentpunt. Het maximumbijdrage-inkomen bedraagt in 2021 € 58.311. Dit bedrag is gelijk aan het maximumpremieloon voor de werknemersverzekeringen.


Terugvordering uitkering Tozo 1

Volgens de Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers (Tozo) is iemand zelfstandige als hij ten minste 1.225 uur per jaar besteedt aan de werkzaamheden voor zijn bedrijf of zelfstandig beroep. Op grond van de Tozo kan algemene bijstand worden verleend aan een zelfstandige die op 17 maart 2020 stond ingeschreven in het handelsregister en wiens bedrijf financieel is geraakt door de coronacrisis. Uit de toelichting bij de regeling volgt dat de gemeente de verklaring van de zelfstandige kan beoordelen op geloofwaardigheid. De gemeente kan andere bewijsstukken opvragen of onderzoeken of het bedrijf is geraakt door de coronacrisis.

De voorzieningenrechter in Noord-Holland heeft een verzoek om een voorlopige voorziening tegen een besluit om een eerder toegekende Tozo 1-uitkering terug te vorderen en een besluit om een Tozo 2-uitkering te weigeren afgewezen. De gemeente stelde zich op het standpunt dat de zelfstandige niet voldeed aan het urencriterium. De voorzieningenrechter was van oordeel dat de door de zelfstandige overgelegde gegevens onvoldoende duidelijkheid gaven. Het is aan de zelfstandige om een concrete en verifieerbare onderbouwing van zijn aanvraag voor een uitkering te verstrekken.


Afwaardering lening en debiteursvervanging

Hof Den Haag is van oordeel dat de jurisprudentie van de Hoge Raad over onzakelijke leningen ook van toepassing is bij debiteursvervanging. De casus betrof een aandeelhouder die vorderingen in rekening-courant had op een aantal groepsvennootschappen. Een deel daarvan was doorgeleend aan een andere groepsmaatschappij. Door deze doorgeleende bedragen om te zetten in een vordering in rekening-courant op de andere groepsmaatschappij was geen nieuwe geldlening ontstaan. In het jaar na de omzetting ging de groepsmaatschappij failliet. De aandeelhouder wilde de vordering ten laste van het resultaat uit werkzaamheid afwaarderen. Gelet op de zeer slechte financiële positie van de groepsmaatschappij in het jaar van de debiteursvervanging en het ontbreken van de mogelijkheid om zekerheid te bedingen, heeft de aandeelhouder volgens het hof onzakelijk gehandeld en een debiteurenrisico aanvaard dat een onafhankelijke derde niet zou hebben aanvaard. In navolging van de inspecteur accepteerde het hof de afwaardering ten laste van het belastbare inkomen niet.

De Hoge Raad heeft de uitspraak van het hof vernietigd. Het hof is er kennelijk van uitgegaan dat de groepsmaatschappijen een vordering op de gefailleerde vennootschap hebben overgedragen aan de aandeelhouder, ter aflossing van een schuld aan de aandeelhouder. Volgens het hof heeft de aandeelhouder met betrekking tot de oorspronkelijke geldlening bewilligd in de debiteursvervanging en is daarom het afwaarderingsverlies niet aftrekbaar. De Hoge Raad oordeelt echter dat, als de vordering op een groepsvennootschap ten tijde van de debiteursvervanging onvolwaardig was, het vermogensverlies van de aandeelhouder niet is veroorzaakt door het aanvaarden van een onzakelijk debiteurenrisico bij de debiteursvervanging. Voor zover de nominale waarde van die vordering op dat tijdstip de waarde in het economische verkeer overtrof, komt het verlies in beginsel ten laste van het resultaat van de aandeelhouder.

Hof Amsterdam moet nu onderzoeken in hoeverre er op het moment van de debiteursvervanging sprake was van een lagere waarde in het economische verkeer van de vordering.