Direct aanvragen

Nieuwsartikelen - Sonell

Woonplaats ab-houder in Nederland

Op grond van de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen wordt iemands woonplaats aan de hand van de omstandigheden beoordeeld. Voor het oordeel dat iemand in Nederland woont moeten de omstandigheden van dien aard zijn dat een duurzame band van persoonlijke aard bestaat tussen de persoon en Nederland. Die duurzame band met Nederland hoeft niet sterker te zijn dan de band met een ander land. Dat betekent dat voor een woonplaats in Nederland niet noodzakelijk is dat het middelpunt van iemands maatschappelijk leven zich in Nederland bevindt.

In een procedure voor de rechtbank over een naheffingsaanslag inkomstenbelasting was de woonplaats van de belanghebbende in geschil. De belanghebbende stond sinds 2009 ingeschreven op een adres in Zwitserland. De Belastingdienst was van mening dat de woonplaats van de belanghebbende in Nederland was gelegen.

De rechtbank was van oordeel dat de Belastingdienst aannemelijk heeft gemaakt dat de woonplaats van de belanghebbende in 2011 in Nederland was gelegen. Volgens eigen zeggen had de belanghebbende 31% van haar tijd in Nederland doorgebracht. De belanghebbende had de beschikking over een eigen woning in Nederland, die volledig was ingericht en onderhouden werd. De belanghebbende had in 2011 diverse Nederlandse lidmaatschappen en een Nederlandse zorgverzekering. Verder was zij in 2011 onder behandeling geweest bij Nederlandse zorgverleners en had zij in Nederland de beschikking over diverse auto’s. Aan de hand van de overgelegde Zwitserse belastingaanslagen vond de rechtbank aannemelijk dat de belanghebbende door de Zwitserse autoriteiten als inwoner van Zwitserland wordt beschouwd. Voor de toepassing van het verdrag ter voorkoming van dubbele belasting met Zwitserland 1951 was sprake van een dubbele woonplaats. De woonplaats wordt dan bepaald op het land waarmee de persoonlijke band het sterkst is. Het feit dat de belanghebbende tien jaar na dato de woning in Nederland nog steeds aanhield, leverde volgens de rechtbank het door de belanghebbende te ontzenuwen bewijsvermoeden op dat de persoonlijke betrekking met Nederland het nauwst is. De belanghebbende slaagde er niet in dat bewijsvermoeden te ontzenuwen.

De navorderingsaanslag had betrekking op een dividenduitdeling van € 10 miljoen door een bv waarvan de echtgenoot van de belanghebbende enig aandeelhouder was. Het dividend was niet verwerkt in de aangifte inkomstenbelasting over 2011. De navorderingsaanslag is in december 2017 opgelegd. De reguliere navorderingstermijn voor 2011 was op 31 december 2016 verstreken. Volgens de Belastingdienst was de verlengde navorderingstermijn van toepassing, omdat het dividend via buitenlandse bankrekeningen was uitbetaald. De verlengde navorderingstermijn bedraagt twaalf jaar en is van toepassing als te weinig belasting is geheven over een inkomensbestanddeel dat in het buitenland wordt gehouden of is opgekomen.

De rechtbank vond aannemelijk gemaakt dat het gedeelte van het dividend dat per bank is uitgekeerd in het buitenland is opgekomen. Dit bedrag werd rechtstreeks op een Zwitserse bankrekening van de echtgenoot uitbetaald. Dat de bv, die het dividend uitkeerde in Nederland is gevestigd, maakt volgens de rechtbank niet uit. Het restant van het dividend is uitbetaald door verrekening met een schuld van de echtgenoot aan de bv. Van dat deel kan niet gezegd worden dat het in het buitenland is opgekomen. In zoverre was de verlengde navorderingstermijn niet van toepassing. De rechtbank heeft de navorderingsaanslag daarom verminderd.


Beantwoording vragen eigenwoningregeling

De staatssecretaris van Financiën heeft vragen die in 2018 zijn gesteld over een besluit inzake de toepassing van de eigenwoningregeling bij partners beantwoord. Het besluit hangt samen met de per 1 januari 2018 gewijzigde omvang van de wettelijke gemeenschap van goederen. Voor mensen die op of na 1 januari 2018 in het huwelijk treden of zijn getreden geldt een beperkte gemeenschap van goederen in plaats van de tot en met 31 december 2017 geldende algehele gemeenschap van goederen. Via het opstellen van huwelijksvoorwaarden kan een afwijkend regime worden gekozen.

Volgens de staatssecretaris is het besluit primair voortgevloeid uit de wijzigingen in de eigenwoningregeling per 1 januari 2013. De eigenwoningregeling blijkt in bepaalde gevallen niet tot de gewenste uitkomst te leiden, met name wanneer één of beide fiscale partners een eigenwoningreserve of een bestaande eigenwoningschuld heeft of hebben en zij vervolgens gezamenlijk een eigen woning aankopen en financieren. Het voornemen bestaat om de regeling met ingang van 1 januari 2022 te wijzigen.

Het besluit bevat een goedkeuring voor de toepassing van de bijleenregeling in situaties waarin een deel van de schuld niet als eigenwoningschuld wordt aangemerkt, terwijl het bedrag van de eigenwoningreserve wel volledig wordt ingezet voor financiering van de gezamenlijke woning. Daarnaast ziet het besluit op de situatie waarin een onder het overgangsregime vallende bestaande eigenwoningschuld niet volledig kan worden voortgezet omdat de fiscale partner, die pas na 1 januari 2013 een eigen woning verkrijgt, onder het aflossingsregime valt. Dit kan bij fiscale partners in bepaalde gevallen tot een niet-beoogde aftrekbeperking leiden. Het besluit biedt hiervoor een oplossing.

In het beleidsbesluit zijn in de goedkeuring de toepassing van de bijleenregeling en de toepassing van het overige eigenwoningverleden aan elkaar gekoppeld. Bij de eventuele beëindiging van het fiscale partnerschap en aankoop van een nieuwe woning moet de overnemende partner rekening houden met de helft van het eigenwoningverleden terwijl hij hier mogelijk deels geen voordeel van heeft gehad. Het is aan de fiscale partners om de voordelen van de goedkeuring in het besluit – geen beperking van de renteaftrek en een hogere eigenwoningschuld waarvan mogelijk een deel aflossingsvrij – af te wegen tegen het eventuele nadeel van overname van de helft van het eigenwoningverleden. Bij de voorgenomen codificatie van het besluit zijn de genoemde koppeling en de eventueel daarmee samenhangende nadelen niet langer aan de orde.


Financiën niet van plan box-3-heffing direct aan te pakken

Naar aanleiding van een uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland in een van de massaalbezwaarprocedures over de belastingheffing in box 3 zijn Kamervragen gesteld. De rechtbank heeft geoordeeld dat de box 3-heffing voor de jaren 2017 en 2018 op stelselniveau in strijd is met het discriminatieverbod van het EVRM. Een objectieve en redelijke rechtvaardiging voor de gelijke behandeling van ongelijke gevallen ontbreekt. De rechtbank zag geen mogelijkheden om het ontstane rechtstekort te repareren, omdat zij daarvoor politieke keuzes zou moeten maken, die aan de wetgever zijn. De staatssecretaris van Financiën wijst erop dat er meer zaken lopen in de massaalbezwaarprocedure. De rechtbank Gelderland heeft geoordeeld dat geen sprake is van strijd met het discriminatieverbod op regelniveau. Verder wijst de staatssecretaris erop dat de Hoge Raad zich nog niet over deze materie heeft uitgelaten. Het bieden van rechtsherstel zou daarom prematuur zijn. De staatssecretaris verwijst naar de nog te presenteren contourennota voor een heffing in box 3 op basis van werkelijk behaalde rendementen. Gezien de demissionaire status van het huidige kabinet is het wachten op het volgende kabinet om daarin keuzes te maken.