Direct aanvragen

Nieuwsartikelen - Sonell

Tweede nota van wijziging Belastingplan 2022

De staatssecretaris van Financiën heeft een tweede nota van wijziging inzake het Belastingplan 2022 ingediend bij de Tweede Kamer. De nota van wijziging bevat de fiscale uitwerking van twee door de Kamer aangenomen moties en enkele technische verbeteringen.

Het maximum van de algemene heffingskorting wordt met € 14 verhoogd per 1 januari 2022.

De earningsstrippingmaatregel beperkt de aftrekbaarheid van het verschil tussen rentelasten en -baten van geldleningen in de vennootschapsbelasting, voor zover dat verschil meer bedraagt dan 30% van de gecorrigeerde winst of € 1 miljoen. Voorgesteld wordt om dit percentage van 30 te verlagen tot 20.

Het hoge tarief van de vennootschapsbelasting gaat per 1 januari 2022 omhoog van 25 naar 25,8%. De verhoging dient ter financiering van de verhoging van de salarissen in de zorg.

In het wetsvoorstel Belastingplan 2022 is de bevoegdheid voor de inspecteur opgenomen om binnen vijf jaar na afloop van het jaar waarin voorheffingen zijn geheven een (herzienings)beschikking inzake voort te wentelen voorheffingen (voorheffingenbeschikking) vast te stellen. Deze termijn is niet toereikend wanneer met toepassing van de verlengde navorderingstermijn van twaalf jaar een navorderingsaanslag vennootschapsbelasting is opgelegd. Voorgesteld wordt om de termijn voor het vaststellen van een (herzienings)beschikking inzake voort te wentelen voorheffingen in de betreffende gevallen te laten aansluiten op de navorderingstermijn.


Kamervragen betalingsregeling belastingschulden

De staatssecretaris van Financiën heeft Kamervragen beantwoord over de betalingsregeling voor ondernemers met coronabelastingschulden. Vanaf 1 oktober 2021 moet een ondernemer, die uitstel van betaling in verband met de coronacrisis heeft gekregen, voldoen aan zijn nieuwe betalingsverplichtingen. Onder strikte voorwaarden kan een bedrijf aanvullend uitstel van betaling krijgen tot 1 februari 2022. Het niet tijdig doen van aangifte of voldoen van nieuwe betalingsverplichtingen heeft tot 1 oktober 2022 geen gevolgen voor het recht op de betalingsregeling van 60 maanden. Per 1 oktober 2022 moet de ondernemer beginnen met het aflossen binnen de betalingsregeling. Vanaf die datum moet de ondernemer zowel voldoen aan zijn aangifteplicht als aan zijn betalingsplicht als voorwaarde voor de betalingsregeling. Doet de ondernemer dat niet dan kan de Belastingdienst de betalingsregeling intrekken.

De staatssecretaris is van mening dat het beleid veel ruimte aan bedrijven biedt om tot een oplossing te komen voor schulden die door de coronacrisis zijn ontstaan.

Volgens de staatssecretaris kan in uitzonderlijke gevallen en onder strikte voorwaarden kwijtschelding van onhoudbare belastingschulden gewenst zijn. Sanering van schulden kan een oplossing zijn voor in de kern gezonde bedrijven om een faillissement af te wenden. Het huidige beleid biedt de mogelijkheid tot sanering. De Belastingdienst beoordeelt saneringsverzoeken sinds het begin van dit jaar welwillender dan voorheen.

De Belastingdienst en Douane nemen bij een minnelijk saneringsakkoord genoegen met eenzelfde uitkeringspercentage als aan concurrente schuldeisers toekomt. Het kabinet verwacht dat saneringsakkoorden voor bedrijven hierdoor een grotere kans van slagen krijgen. De Belastingdienst en Douane passen dit versoepelde beleid toe van 1 augustus 2022 tot en met 30 september 2023. Als er geen saneringsakkoord tot stand komt en de onderneming alsnog failliet gaat of in een dwanginvorderingstraject terecht komt, dan houdt de Belastingdienst een preferente positie.


Eigenwoningregeling van toepassing op gedeelte van woning

De eigenwoningregeling in de inkomstenbelasting is van toepassing op een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat een belastingplichtige op grond van eigendom als hoofdverblijf ter beschikking staat en waarvan de waardeverandering de belastingplichtige of zijn partner voor 50% of meer aangaat.

De Belastingdienst weigerde de toepassing van de eigenwoningregeling aan een belastingplichtige die samen met zijn echtgenote, zijn zwager en schoonzus eigenaar was van een woning. De belastingplichtige en zijn echtgenote waren gezamenlijk voor 35% eigenaar; de zwager en schoonzus waren eigenaar van de resterende 65% van de woning. De woning bestond uit twee bouwkundig gesplitste delen. De woning was niet kadastraal gesplitst. De omvang van het door de belastingplichtige en zijn echtgenote bewoonde deel kwam overeen met het aandeel in de eigendom van de woning. De reden om de toepassing van de eigenwoningregeling te weigeren was gelegen in de grond dat de waardeverandering van de gehele woning de belastingplichtige en zijn echtgenote slechts voor 35% aanging. De Belastingdienst rekende het aandeel in de woning toe aan box 3.

Hof Den Haag is van oordeel dat het aandeel in de woning voor de belastingplichtige en zijn echtgenote wel als eigen woning kwalificeert. Het aandeel in de woning stond de belastingplichtige en zijn echtgenote op grond van eigendom anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking, zij genoten de voordelen met betrekking tot dat deel van de woning en de kosten en lasten daarvan drukten op hen. De waardeontwikkeling van het gedeelte van de woning ging de belastingplichtige en zijn echtgenote volledig aan. Het hof vond niet van belang dat de woning niet kadastraal is gesplitst of dat geen aanvullende afspraken zijn gemaakt ter verdeling van de economische eigendom van ieder deel van de woning aan de bewoners daarvan.